De rechtbank Midden-Nederland heeft op 28 november 2022 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van diefstal en witwassen van geldbedragen. De rechtbank sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde feit van diefstal van 75.250 euro, omdat dit niet wettig en overtuigend bewezen kon worden. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte op 5 januari 2019 samen met een ander 4.500 euro witwaste door dit bedrag op zijn rekening te laten storten, direct op te nemen en aan die ander te overhandigen.
De rechtbank motiveerde dat verdachte wist dat het geld uit een misdrijf afkomstig was, mede gelet op zijn wisselende verklaringen en het feit dat hij geen vragen stelde over de herkomst van het geld. Verdachte werd schuldig bevonden aan medeplegen van witwassen. De rechtbank oordeelde dat het bewezenverklaarde strafbaar was en verdachte strafbaar was, maar legde geen straf op. Dit vanwege eerdere forse gevangenisstraffen die verdachte had ondergaan en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
De benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tot immateriële schadevergoeding, omdat onvoldoende concreet was onderbouwd dat zij geestelijk letsel hadden geleden. De rechtbank veroordeelde hen tevens in de kosten van verdachte. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer onder voorzitterschap van C.A.J. van Yperen.