Op 5 januari 2019 heeft verdachte te Utrecht witwassen gepleegd door het verhullen van de herkomst van €5.000 afkomstig uit een misdrijf. De rechtbank achtte dit wettig en overtuigend bewezen op basis van de bekennende verklaring van verdachte en politieprocessen-verbaal.
Verdachte werd niet strafbaar geacht voor het overige ten laste gelegde en werd daarvoor vrijgesproken. De rechtbank nam bij de strafoplegging mee dat verdachte reeds op 10 september 2020 was veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf voor onder meer diefstal met geweld.
Daarnaast werd de redelijke termijn voor berechting met circa 1,5 jaar overschreden, wat zwaar woog in het oordeel. Hoewel een taakstraf passend werd geacht, werd afgezien van strafoplegging op grond van artikel 9a Wetboek van Strafrecht.
De benadeelde partijen vorderden immateriële schadevergoeding, maar werden niet-ontvankelijk verklaard omdat onvoldoende concreet geestelijk letsel was onderbouwd. De rechtbank veroordeelde hen in de kosten van het verweer.
Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op 28 november 2022 te Utrecht.