Art. 1:3 AwbArt. 8:54 AwbWet van 14 oktober 2020 tot wijziging van de Politiewet 2012
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzet tegen niet-toelating tot tolkendatabase politie geen besluit in zin Awb
Opposant verzocht de politie om opname in de tolkendatabase, maar kreeg bij brief van 29 september 2020 te horen dat hij niet werd toegelaten omdat er al voldoende tolken zijn voor zijn talencombinatie. De politie verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van artikel 1:3 AwbPro is. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en opposant ging in verzet.
In het verzet beoordeelt de rechtbank of de eerdere uitspraak terecht was dat er geen twijfel over de uitkomst bestond en daarom geen zitting nodig was. Opposant stelde dat de brief wel een besluit is, maar de rechtbank volgde dit niet en bevestigde dat de brief geen publiekrechtelijke grondslag heeft en dus geen besluit is.
De rechtbank overwoog dat de verwijzing naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet passend is, omdat die zaak ging over verwijdering uit de tolkendatabase, een andere situatie. Ook een wetswijziging per 1 januari 2023 verandert hier niets aan.
Opposant verwees naar ontwikkelingen in het besluitbegrip, maar de rechtbank vond dat deze niet van toepassing zijn omdat er geen sprake is van bestuursrechtelijke sancties.
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/819 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2022 op het verzet van
[opposant] , te [woonplaats] , opposant
(gemachtigde: mr. P.J. de Booij).
Procesverloop
Opposant heeft de politie verzocht om te mogen worden opgenomen in de tolkendatabase van de Nationale Politie. Bij brief van 29 september 2020 heeft de politie opposant meegedeeld dat hij hiervoor niet in aanmerking komt, omdat er al voldoende tolken in de tolkendatabase van de Nationale Politie (de tolkenbestand) zijn opgenomen die de talencombinatie van opposant beheersen.
Opposant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 5 februari 2021 heeft de korpschef van politie het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit omdat de brief van 29 september 2020 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. De rechtbank gebruikt hierna de aanduiding “het 1:3-besluit”.
Tegen dit besluit heeft opposant beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 16 augustus 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4514, heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 8:54 vanPro de Awb, het beroep van opposant ongegrond verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
De zitting betreffende het verzet heeft plaatsgevonden op 17 november 2021. Opposant is verschenen, samen met zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W. Kolkman.
Overwegingen
1. In verzet beoordeelt de rechtbank of de rechtbank in haar uitspraak van
16 augustus 2021 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er toen dus geen zitting nodig was.
2. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 16 augustus 2021 niet juist. Hij stelt dat de brief van de korpschef van politie van 29 september 2020 wel degelijk een
1:3-besluit is.
3. De rechtbank volgt opposant hierin niet. In rechtsoverweging 4 van haar uitspraak van 16 augustus 2021 heeft de rechtbank uitgelegd dat en waarom de brief van
29 september 2020 geen 1:3-besluit behelst. De essentie is dat de beslissing van de korpschef van politie, als vervat in de brief van 29 september 2020, niet haar grondslag vindt in een speciaal voor het openbaar bestuur of bij of krachtens de wet geschapen publiekrechtelijke grondslag. Het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 16 augustus 2021 dat de beslissing daardoor geen 1:3-besluit is, blijft aldus overeind. Daaruit voortvloeiend geldt hetzelfde voor het oordeel dat sprake was van een “kennelijk” ongegrond beroep.
4. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat geen sprake is van een 1:3-besluit heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2016:2672. In rechtsoverweging 5 van haar uitspraak van 16 augustus 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder deze verwijzing terecht heeft gedaan. Nu oordelend op het verzetschrift tegen deze uitspraak, kan om twee redenen betwijfeld worden of deze verwijzing adequaat is geweest. Ten eerste ging het in de zaak waarover de Afdeling heeft geoordeeld om een beslissing van de korpschef van politie om een tolk te verwijderen uit de tolkendatabase. Dat was een andere situatie dan de situatie van opposant. In de situatie van opposant speelt namelijk dat de korpschef van politie op voorhand geen gebruik maakt van de aangeboden diensten van opposant. Als gevolg daarvan neemt de korpschef van politie opposant niet op in de tolkendatabase. Ten tweede geldt dat door een wetswijziging die in werking treedt per 1 januari 2023 [1] een beslissing om een tolk te verwijderen uit het tolkenbestand wél een 1:3-besluit wordt. Wat er verder ook van zij, de beschreven twijfel over rechtsoverweging 5 van de uitspraak van
16 augustus 2021 doet niet af aan de dragende en correcte argumentatie in rechtsoverweging 4 van die uitspraak.
5. Opposant wijst er voorts op dat in het recht sprake is van een ontwikkeling in het denken over het besluitbegrip. Opposant haalt in dit verband de conclusie van Staatsraad
mr. Widdershoven van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249. Ook verwijst opposant naar een artikel van mr. Van Male in NTB 2020/101. Naar het oordeel van de rechtbank treft één en ander geen doel, omdat deze conclusie en dit artikel betrekking hebben op beslissingen die de opmaat kunnen zijn voor het treffen van bestuursrechtelijke sancties. In de zaak van opposant is daarvan geen sprake.
6. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen dan zij in haar uitspraak van 16 augustus 2021 al heeft gedaan. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 16 augustus 2021 in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier .De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.
Voetnoten
1.De Wet van 14 oktober 2020 tot wijziging van de Politiewet 2012 (Staatsblad 2020, 412).