ECLI:NL:RBMNE:2022:537

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 februari 2022
Publicatiedatum
15 februari 2022
Zaaknummer
UTR 21/4384 T
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake aanvraag bijzondere bijstand voor inrichtingskosten met betrekking tot spaargeld en lening

In deze tussenuitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedateerd 15 februari 2022, wordt de aanvraag van eiseres voor bijzondere bijstand voor woninginrichtingskosten behandeld. Eiseres, die onder beschermingsbewind staat, heeft een aanvraag ingediend voor een bedrag van € 6.457,75 voor de inrichting van haar nieuwe woning. Het primaire besluit van verweerder heeft een gedeeltelijke toewijzing van € 1.319,67 als lening verleend, waarbij verweerder het spaargeld van eiseres in mindering heeft gebracht op het totale bedrag. Eiseres is het niet eens met deze beslissing en stelt dat het spaargeld ten onrechte is meegerekend, omdat zij dit al had uitgegeven aan vaste lasten.

De rechtbank oordeelt dat eiseres niet voldoende heeft aangetoond dat zij op het moment van toekenning van de bijstand geen spaargeld meer had. De rechtbank wijst erop dat eiseres geen bankafschriften heeft overgelegd ter onderbouwing van haar stelling. Daarnaast wordt de vraag behandeld of de kosten voor verf en laminaat als lening verstrekt hadden mogen worden. De rechtbank concludeert dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze kosten niet als gift zijn verstrekt, en geeft verweerder de gelegenheid om dit gebrek te herstellen binnen zes weken.

De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak op het beroep, waarbij ook de proceskosten en het griffierecht nog niet zijn behandeld. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de mogelijkheid tot hoger beroep tegen de einduitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/4384 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.R.A. Rutten),
en

het dagelijks bestuur van de RDWI, verweerder

(gemachtigde: V.V. Tuchkova).

Procesverloop

In het besluit van 2 september 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting aan eiseres toegekend.
In het besluit van 25 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Bij aanvang van de zitting heeft de gemachtigde van eiseres medegedeeld dat de bewindvoerder van eiseres toestemming heeft gegeven om deze beroepsprocedure te voeren.

Overwegingen

Inleiding
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres woonde in Utrecht in een studio. Zij heeft een sociale urgentie gekregen om naar een grotere woning te gaan en daarom is eiseres verhuisd naar gemeente de Bilt. Om de inrichting van haar nieuwe woning te kunnen betalen heeft eiseres gevraagd om bijzondere bijstand voor een bedrag van € 6.457,75,-. Eiseres stond in de periode waar het hier om gaat onder beschermingsbewind.
Besluitvorming door verweerder
2. In het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag deels toegewezen. Eiseres kreeg een bedrag van € 1.319,67,- aan bijzondere bijstand voor de kosten van de inrichting van haar woning. Zij krijgt dit bedrag in de vorm van een geldlening. Eiseres kreeg van verweerder niet het volledige bedrag dat zij heeft gevraagd, omdat eiseres voor een aantal van de gevraagde spullen de noodzakelijkheid niet had aangetoond. Daarnaast had eiseres nog geld op haar spaarrekening (€ 1.100,12). Met dat spaargeld kan eiseres een deel van de noodzakelijke kosten voor haar woninginrichting zelf betalen. Het spaargeld heeft verweerder daarom in mindering gebracht op het totale bedrag (€ 2.419,79) wat eiseres aan bijzondere bijstand krijgt. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.
Beroepsgrond 1: het spaargeld
3. Eiseres is het niet eens met het besluit van verweerder. Verweerder heeft het spaargeld ten onrechte in mindering gebracht op totale bedrag wat eiseres aan bijzondere bijstand zou krijgen. Op het moment dat eiseres de bijzondere bijstand is toegekend (primaire besluit) beschikte eiseres namelijk niet meer over het spaargeld. Zij heeft het spaargeld in de tussentijd namelijk moeten uitgeven aan vaste lasten, omdat zij voor de maand augustus pas later reguliere bijstand heeft ontvangen.
Oordeel rechtbank over beroepsgrond 1
4. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste rechter [1] in dit soort zaken moet bij een aanvraag om bijzondere bijstand beoordeeld worden:
of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd zich voordoen;
of die kosten voor de aanvrager noodzakelijk zijn;
of die kosten het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden; en
of de kosten betaalt kunnen worden uit de bijstandsuitkering, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen (voor zover dit hoger is dan de bijstandsnorm). Verweerder heeft hierbij een zekere beoordelingsvrijheid. [2]
5. Partijen zijn het er over eens dat aan de eerste drie voorwaarden is voldaan. Het geschil ziet op de vraag of eiseres voldoende vermogen (in dit geval spaargeld) heeft om een deel van de kosten voor de woninginrichting zelf te betalen.
6. In de beleidsregels [3] van verweerder staat vermeld dat spaargeld wordt aangemerkt als gereserveerd bedrag. Daarbij is het niet van belang of dit vermogen lager is dan de vermogensgrens.
7. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op het moment dat de bijstand werd toegekend geen spaargeld meer had. De reden daarvoor is dat eiseres haar stelling niet met stukken heeft onderbouwd. Zo had eiseres bijvoorbeeld bankafschriften kunnen overleggen waaruit blijkt dat zij haar spaargeld heeft gebruikt om de vaste lasten van augustus te betalen. Weliswaar heeft eiseres met stukken onderbouwd dat de reguliere bijstandsuitkering van juli is uitbetaald op 24 juli 2021 en de uitkering van augustus op 8 september 2021, maar niet dat eiseres om die reden in de tussentijd haar spaargeld heeft moeten opmaken. Verweerder heeft het spaargeld daarom mogen aanmerken als gereserveerd bedrag en in mindering mogen brengen op het totale bedrag aan bijzondere bijstand. De beroepsgrond slaagt niet.
Beroepsgrond 2: de vorm van bijstand
8. Eiseres voert verder aan dat verweerder het bedrag aan bijzondere bijstand niet als lening had mogen verstrekken. De bewindvoerder van eiseres heeft namelijk bij de aanvraag en in later overleg gemeld dat er geen lening verstrekt kon worden, omdat eiseres net uit de schulden was. Mocht de rechtbank deze stelling van eiseres niet volgen, dan had verweerder volgens zijn eigen beleid in ieder geval de kosten voor het laminaat, de plinten, het folie, de verf en verfmateriaal om niet moeten verstrekken.
9. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat verf en verfmateriaal in principe om niet wordt verstrekt, maar niet in het geval van eiseres. Eiseres kan de kosten voor de verf en het verfmateriaal namelijk van haar spaargeld betalen. De kosten voor het laminaat, plinten en isolatiemateriaal zijn volgens verweerder ook terecht als lening verstrekt. Volgens het beleid wordt namelijk alleen vaste vloerbedekking om niet verstrekt, maar laminaat is geen vaste vloerbedekking. De reden daarvoor is omdat het in principe niet nodig is om laminaat vast te lijmen.
Oordeel rechtbank over beroepsgrond 2
10. De rechtbank oordeelt dat het betoog van eiseres dat verweerder het toegekende bedrag niet als lening had mogen verstrekken niet slaagt. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat zij geen lening mocht aangaan, maar dat heeft zij niet met stukken onderbouwd. Bovendien staat in het stuk ‘Rapport aanvraag bijzondere bijstand’ (rapport) dat de bewindvoerder in een telefonisch overleg met verweerder heeft gezegd dat eiseres een lening tot €1.500,- mocht afsluiten zonder daarvoor een machtiging van de rechtbank te hoeven vragen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze informatie niet juist is. Om die reden gaat de rechtbank daarvan uit. In principe mocht verweerder de bijzondere bijstand als lening verstreken als het bedrag niet boven de €1.500,- uit zou komen.
11. De rechtbank is het wel met eiseres eens dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de kosten voor de verf, het verfmateriaal en laminaat (plinten en folie) niet als gift worden verstrekt.
12. Over de kosten voor de verf en het verfmateriaal heeft verweerder weliswaar gesteld dat eiseres dit van haar spaargeld kan betalen, maar dat spaargeld heeft verweerder al in mindering gebracht op het totale bedrag. Doordat verweerder vervolgens stelt dat zij de kosten voor de verf en het verfmateriaal kan betalen van haar spaargeld, wordt eiseres twee keer tegengeworpen dat zij spaargeld heeft. Bovendien staat in het beleid van verweerder – voor zover hier relevant – expliciet het volgende vermeld:
‘’
5. Vorm van bijzondere bijstand:
Leenbijstand: de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt verleend in de vorm van een lening
Om niet: de bijzondere bijstand voor overige inrichtingskosten zoals verf, behang, en vaste voerbedekking wordt verleend als bijstand om niet.’’
Volgens het beleid zijn hier verder geen voorwaarden aan verbonden.
13. Over de kosten van het laminaat (plinten en folie) overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste rechter in dit soort zaken is vaste vloerbedekking een duurzaam gebruiksgoed. [4] Dit betekent dat verweerder de bijzondere bijstand voor de kosten van vaste vloerbedekking zou mogen verstrekken in de vorm van een lening. [5] Zoals blijkt uit het onder 13 genoemde beleid verstrekt verweerder de bijzondere bijstand voor vaste vloerbedekking in de vorm van een gift. Het beleid van verweerder is dus gunstiger dan dat de Participatiewet voorschrijft. De rechtbank begrijpt vervolgens niet waarom verweerder de kosten voor laminaat wel als lening verstrekt en dus lijkt aan te merken als een duurzaam gebruiksgoed. Verweerder heeft namelijk zelf gesteld dat laminaat in principe niet vastgelijmd hoeft te worden. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet goed uitgelegd waarom hij de kosten voor laminaat desondanks in de vorm van een lening verstrekt.
Conclusie
14. Zoals hiervoor is overwogen onder 12 tot en met 14 is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. [6] Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder beter motiveren waarom hij de kosten voor de verf, het verfmateriaal en laminaat niet als gift verstrekt. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
15. Verweerder moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
16. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 15 februari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
De rechter is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Centrale Raad van Beroep (CRvB).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 6 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2378.
3.In artikel 12, onder 3, van de Beleidsregels bijzondere bijstand RDWI 2021.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9181.
5.Op grond van artikel 51, eerste lid, van de Participatiewet.
6.Als bedoeld in artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).