ECLI:NL:CRVB:2020:2378
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning bijzondere bijstand voor aanvangskosten bewindvoerder
Betrokkene was aanvankelijk onder curatele gesteld en later onder bewind gesteld met benoeming van een eerste bewindvoerder. De kantonrechter stelde de beloning voor aanvangswerkzaamheden van de bewindvoerder vast. Betrokkene vroeg bijzondere bijstand aan voor deze aanvangskosten, welke het dagelijks bestuur afwees omdat de kosten nog niet in rekening waren gebracht en er alternatieven zouden zijn geweest.
De rechtbank oordeelde dat het dagelijks bestuur geen beoordelingsruimte had om de noodzakelijkheid van deze kosten te betwisten, omdat de kantonrechter de noodzaak al had vastgesteld. Het dagelijks bestuur ging hiertegen in hoger beroep, stellende dat zij wel beoordelingsruimte had en dat de situatie vergelijkbaar was met andere kosten waarbij wel beoordeling mogelijk is.
De Raad stelde vast dat de aanvangskosten zich voordoen, noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. De kantonrechter had de meest passende maatregel genomen en de bewindvoerder benoemd na zorgvuldige toetsing. De Raad verwierp het beroep van het dagelijks bestuur en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en griffierecht opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het dagelijks bestuur wordt afgewezen en de bijzondere bijstand voor aanvangskosten bewindvoerder blijft toegekend.