Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
wonende aan de [adres 1] in [woonplaats] (UTR 21/1923),
wonende aan de [adres 2] in [woonplaats] (UTR 21/1930),
wonende aan de [adres 3] in [woonplaats] (UTR 21/1926),
wonende aan de [adres 4] in [woonplaats] (UTR 21/1952),
wonende aan de [adres 5] in [woonplaats] (UTR 21/1928),
eisers,
[derde-partij](vergunninghouder), wonende aan de [adres 6] in [woonplaats] .
I. Is voldaan aan de hoorplicht in de bezwaarfase?
Uit het rapport van de verkeersdeskundige leidt de rechtbank af dat voertuigen met aanhanger voor de [straat] minder passend zijn en dat het uitzicht van en op het verkeer vanuit de te realiseren uitweg vanaf de percelen [adres 3] en [adres 4] nihil is en aanleiding is voor mogelijke conflicten bij het uitrijden van de verschillende uitritten. De rechtbank stelt vast dat de commissie op beide argumenten is ingegaan en dat de rechtbank de uitleg van de commissie kan volgen. Een verdere onderbouwing waarom de omgevingsvergunning moet worden geweigerd ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg wordt in het rapport van de verkeersdeskundige niet gegeven en ontbreekt ook in zijn nadere reactie van 15 januari 2021. Wel wordt in het rapport zonder nadere onderbouwing gesteld dat een verkeersonveiligere situatie ontstaat door de vergunde uitweg. De rechtbank stelt vast dat als deze redenering zou worden gevolgd een uitweg altijd geweigerd zou moeten worden. Een extra uitweg zal per definitie een verkeersonveiligere situatie tot gevolg hebben, omdat hieruit verkeer kan komen. De weigeringsgrond is niet dat een verkeersonveiligere situatie ontstaat, maar dat de uitweg moet worden geweigerd ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg. De beroepsgrond slaagt niet.
Eisers hebben aangevoerd dat nu voor de oprit van de [adres 3] en [adres 4] ruimte is om 1 of 2 voertuig(en) te parkeren en deze parkeerplaats(en) door de vergunde uitweg verdwijnen. In het verweerschrift heeft het college bevestigd dat in de [straat] in de praktijk wordt geparkeerd op het trottoir of voor eigen inritten. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV1990) is het parkeren voor een in- en uitrit officieel niet toegestaan. Volgens het college zijn de parkeerplaats(en) waar eisers op doelen formeel geen parkeerplaats(en).
Eiseres hebben nog aangevoerd dat artikel 13.3 van de planregels van het bestemmingsplan parkeren voor de oprit expliciet toestaat. Naar het oordeel van de rechtbank berust dat standpunt op een onjuiste lezing en interpretatie van artikel 13.3 van de planregels. Het standpunt van eisers gaat alleen al niet op, omdat artikel 13.3 ziet op de bestemming “Tuin” terwijl de parkeerplaats(en) waar het eisers om te doen is op de [straat] liggen en de bestemming “Verkeers- Verblijfsgebied” hebben.
De rechtbank is met het college van oordeel dat de vergunde uitweg niet ten koste gaat van een (formele) openbare parkeerplaats. De beroepsgrond slaagt niet.
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten voor zover daarbij door het college is nagelaten om aan