Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2022:5548

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 december 2022
Publicatiedatum
20 december 2022
Zaaknummer
10176516
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.1 Procesreglement kort gedingen rechtbanken, kantonECLI:NL:HR:2016:1087
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking kort geding met proceskostenveroordeling in civiele procedure

In deze civiele procedure bij de Rechtbank Midden-Nederland heeft eiser zijn vordering in conventie ingetrokken. Ondanks deze intrekking bleef het kort geding aanhangig omdat de gedaagde binnen de wettelijke termijn een verzoek tot beslissing over de proceskosten heeft ingediend. De pachtkamer oordeelde dat de gedaagde al voor de intrekking kosten had gemaakt en veroordeelde de eiser daarom tot betaling van de proceskosten.

De mondelinge behandeling vond plaats op 6 december 2022, waarbij de eiser niet verscheen. De gedaagde stelde een reconventionele vordering in, maar trok deze aan het einde van de zitting in, zodat deze niet is beoordeeld.

De rechtbank veroordeelde de eiser hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de gedaagde, begroot op € 996,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met wettelijke rente en eventuele na dit vonnis ontstane kosten. De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Eiser wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan gedaagde, ondanks intrekking van de vordering.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
pachtkamer
locatie Lelystad
zaaknummer: 10176516 LV EXPL 22-37 A/45353
Kort geding vonnis van 20 december 2022
inzake

1.[eiser sub 1] , h.o.d.n. [handelsnaam] ,

wonende te [woonplaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
verder ook samen te noemen [handelsnaam] c.s.
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. W.M. Bijloo,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. L. Koning.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties, van 28 november 2022;
- de akte overlegging producties met daarin opgenomen een eis in reconventie van [gedaagde] ;
- de e-mail van [handelsnaam] c.s. van 5 december 2022;
- de e-mail van [gedaagde] van 5 december 2022;
- de e-mail van [handelsnaam] c.s. van 5 december 2022.
1.2.
De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op 6 december 2022. Na uitroeping van de zaak zijn verschenen [A] , enig bestuurder van [gedaagde] , vergezeld door zijn dochter [B] en bijgestaan door mr. L. Koning en zijn kantoorgenoot mr. [C] . [handelsnaam] c.s. is niet verschenen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
In conventie
2.1.
[handelsnaam] c.s. heeft zijn vordering in conventie bij brief van 5 december 2022 ingetrokken.
2.2.
Op grond van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 3 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1087) komt de aanhangigheid van een kort geding ondanks een intrekking door de eiser niet te vervallen, indien een gedaagde partij binnen veertien dagen na de datum waartegen hij was opgeroepen, aan de eiser en de rechtbank meedeelt dat hij een beslissing over de proceskosten wenst. In dat geval is ook griffierecht verschuldigd door de eisende partij en beslist de kantonrechter over de proceskosten (artikel 9.1 Procesreglement kort gedingen rechtbanken, kanton).
2.3.
De pachtkamer stelt vast dat [gedaagde] tijdig heeft medegedeeld dat zij een beslissing over de proceskosten verlangt, waardoor het kort geding tussen partijen aanhangig is gebleven.
2.4.
[gedaagde] heeft de pachtkamer verzocht om [handelsnaam] c.s. in de proceskosten te veroordelen. De pachtkamer stelt vast dat [gedaagde] , reeds vóór het intrekkingsbericht, een akte overlegging producties heeft ingediend. Ter zitting heeft [gedaagde] uitgebreide spreekaantekeningen overgelegd, waarin naar deze ingediende producties wordt verwezen. Daarmee is voldoende vast komen te staan dat [gedaagde] in conventie reeds voor de intrekking kosten heeft gemaakt. [handelsnaam] c.s. zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in conventie. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 996,00 aan salaris gemachtigde (tarief complex).
In reconventie
2.5.
Ter mondelinge behandeling heeft [gedaagde] haar bij akte aangekondigde reconventionele vordering ingesteld. Aan het einde van de zitting heeft [gedaagde] deze vordering ingetrokken. Daarom hoeft deze vordering niet beoordeeld te worden en zal daarop niet worden beslist.

3.De beslissing

De pachtkamer:
3.1.
veroordeelt [handelsnaam] c.s. hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 996,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt [handelsnaam] c.s. hoofdelijk, onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagde] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 124,00 aan salaris gemachtigde;
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;
3.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen, kantonrechter-voorzitter, en de deskundige leden D.E.H. baron van Ittersum en W.G.M. Kleinlangevelsloo, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 december 2022.