ECLI:NL:RBMNE:2022:5552
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Wrakingsverzoek rechter-commissaris in schuldsaneringsregeling ongegrond verklaard
In deze zaak hebben verzoekers een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter-commissaris die betrokken was bij een inlichtingenverhoor in hun schuldsaneringsregeling. Verzoekers stelden dat de rechter-commissaris de financiële situatie van hun zwager en diens gezin in Indonesië onbelangrijk vond en dat zijn handelen als onheus werd ervaren.
De rechter-commissaris betwistte het wrakingsverzoek en stelde dat verzoekers niet ontvankelijk waren omdat het inlichtingenverhoor geen partijgeschil betreft. Subsidiair voerde hij aan dat hij zich niet negatief of aanstootgevend had uitgelaten en dat het wrakingsverzoek op een misvatting berustte.
De wrakingskamer oordeelde dat artikel 36 Rv Pro ook van toepassing is op de rechter-commissaris en dat verzoekers ontvankelijk zijn. Bij de inhoudelijke beoordeling stelde de kamer vast dat uit het proces-verbaal van het verhoor geen aanwijzingen voor vooringenomenheid of aanstootgevend gedrag van de rechter-commissaris blijken. De vrees van verzoekers werd niet als objectief gerechtvaardigd beoordeeld.
Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en werd de procedure voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.