ECLI:NL:RBMNE:2022:5552

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 december 2022
Publicatiedatum
21 december 2022
Zaaknummer
547581 / HA RK 22-236
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 327 FaillissementswetArt. 105 FaillissementswetArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek rechter-commissaris in schuldsaneringsregeling ongegrond verklaard

In deze zaak hebben verzoekers een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter-commissaris die betrokken was bij een inlichtingenverhoor in hun schuldsaneringsregeling. Verzoekers stelden dat de rechter-commissaris de financiële situatie van hun zwager en diens gezin in Indonesië onbelangrijk vond en dat zijn handelen als onheus werd ervaren.

De rechter-commissaris betwistte het wrakingsverzoek en stelde dat verzoekers niet ontvankelijk waren omdat het inlichtingenverhoor geen partijgeschil betreft. Subsidiair voerde hij aan dat hij zich niet negatief of aanstootgevend had uitgelaten en dat het wrakingsverzoek op een misvatting berustte.

De wrakingskamer oordeelde dat artikel 36 Rv Pro ook van toepassing is op de rechter-commissaris en dat verzoekers ontvankelijk zijn. Bij de inhoudelijke beoordeling stelde de kamer vast dat uit het proces-verbaal van het verhoor geen aanwijzingen voor vooringenomenheid of aanstootgevend gedrag van de rechter-commissaris blijken. De vrees van verzoekers werd niet als objectief gerechtvaardigd beoordeeld.

Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en werd de procedure voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 547581 / HA RK 22-236
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 20 december 2022
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoeker] en [verzoekster] ,
wonend in [woonplaats] ,
verder te noemen: verzoekers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van het verhoor gehouden op 31 oktober 2022 in de
schuldsaneringsregeling van verzoekers met daarin het wrakingsverzoek gericht tegen mr. K.G. van de Streek;
- de schriftelijke reactie van mr. Van de Streek van 5 december 2022.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 6 december 2022 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).
Mevrouw [verzoekster] (verder: verzoekster) heeft de zitting bijgewoond via een telefonische verbinding. Mr. Van de Streek is met bericht van verhindering niet verschenen.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. Van de Streek als behandelend rechter-commissaris (hierna te noemen: de rechter-commissaris) in een zogenoemd inlichtingenverhoor ten aanzien van de schuldsaneringsregeling van verzoekers, zoals bedoeld in artikel 327 jo Pro. 105 Faillissementswet, in de zaak met het insolventienummer R 22/85-86.
2.2.
Verzoekers hebben het volgende ten grondslag gelegd aan het wrakingsverzoek.
De zwager van verzoekers is inwonend bij verzoekers. Hij onderhoudt vanuit Nederland zijn gezin in Indonesië. Gelet hierop kunnen verzoekers naar eigen zeggen in het kader van de schuldsaneringsregeling geen (financiële) bijdrage in de woonkosten van deze zwager vragen dan wel verlangen. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij geen weet meer heeft van de precieze bewoordingen van de rechter-commissaris, echter kwamen de bewoordingen van de rechter-commissaris erop neer dat hij de situatie van de zwager met betrekking tot het onderhouden van zijn gezin in Indonesië geheel onbelangrijk vond. Volgens de rechter-commissaris zouden de schulden van verzoekers voorgaan.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij de gehele manier van doen van de rechter-commissaris niet netjes en ergerlijk vond.
2.3.
De rechter-commissaris heeft niet berust rust in de wraking.
In zijn schriftelijke reactie heeft hij zich primair op het standpunt gesteld dat verzoekers niet-ontvankelijk zijn in het wrakingsverzoek nu tijdens een inlichtingenverhoor er geen sprake is van een ‘partij’ in de zin van artikel 36 Rv Pro. Dit verhoor is uitsluitend bedoeld om de rechter-commissaris en (in het geval van een schuldsaneringsregeling) de bewindvoerder inlichtingen te verschaffen. De Hoge Raad heeft voorts geoordeeld dat op een dergelijk verzoek niet artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) van toepassing is, omdat er geen sprake is van een geschil (HR 6 oktober 2006, NJ 2010, 184).
Subsidiair heeft de rechter-commissaris zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek ongegrond dient te worden verklaard, aangezien de grondslag van de wraking op een misvatting berust. Zo heeft hij aangevoerd dat hij geen enkele opmerking over het gezin van de zwager in Indonesië heeft gemaakt. Tijdens het verhoor heeft de rechter-commissaris geprobeerd uit te leggen dat de inwonenden keuzes moeten maken en hun verantwoordelijkheid moeten nemen om verzoekers meer financiële ruimte te kunnen verschaffen. De rechter-commissaris ziet op geen enkele wijze dat hierdoor van zijn partijdigheid blijkt. Tot slot heeft de rechter-commissaris gesteld dat hij zich niet negatief of aanstootgevend heeft uitgelaten over verzoekers, hun zwager (en de andere inwonende: de zoon van verzoekers) of het gezin van de zwager.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
Ontvankelijkheid verzoekers
3.2.
De wrakingskamer is van oordeel dat artikel 36 Rv Pro ook van toepassing is op een rechter-commissaris in faillissementen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1770) bepaald dat onder het “behandelen van een zaak” moet worden verstaan: elke rechterlijke bemoeienis met een zaak, van welke aard en omvang dan ook. Dit begrip moet dus ruim worden uitgelegd. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft mr. Van Streek als rechter-commissaris in een zogenoemd inlichtingenverhoor van verzoekers, als bedoeld in artikel 327 jo Pro. 105 Faillissementswet, rechterlijke bemoeienis met de zaak van verzoekers en zijn verzoekers dan ook ontvankelijk in hun wrakingsverzoek.
Inhoudelijke beoordeling wrakingsverzoek
3.3.
Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm gegeven door artikel 6 EVRM Pro in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.
3.4.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn
aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd was.
3.5.
De wrakingskamer oordeelt dat in de voorliggende zaak niet blijkt dat de rechter-commissaris jegens verzoekers een vooringenomenheid koestert, dan wel dat de bij verzoekers bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd was, gelet op hetgeen de verzoekers hebben gesteld. Hiertoe overweegt de wrakingskamer als volgt.
Het proces-verbaal dient als kernbron te worden gezien van hetgeen op de terechtzitting is voorgevallen. De wrakingskamer stelt vast dat hetgeen verzoekster ten aanzien van het wrakingsverzoek ter zitting heeft aangevoerd, te weten dat de rechter-commissaris de financiële situatie van de zwager (van verzoekers) en zijn gezin in Indonesië volstrekt onbelangrijk vond, geenszins volgt uit (de strekking van) het proces-verbaal van het verhoor gehouden op 31 oktober 2022. Ook overigens blijkt uit dit proces-verbaal niet dat de rechter-commissaris zich negatief of aanstootgevend heeft uitgelaten over verzoekers, hun zwager of het gezin van de zwager in Indonesië.
Gelet op het voorgaande zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de rechter tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Toezicht, waarin de rechter werkzaam is, en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoekers met het insolventienummer R 22/85-86
dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, en mrs. R.C. Stijnen en H.J. Bos als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. C.N. Aalders, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2022.
De griffier is buiten staat de beslissing mede te ondertekenen.
de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.