Opposante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de heffingsambtenaar van de gemeente Gooise Meren. De rechtbank verklaarde het beroep op 7 september 2021 niet-ontvankelijk omdat de identiteit van opposante niet tijdig was aangetoond door het ontbreken van een machtiging binnen de beroepstermijn.
Opposante ging in verzet tegen deze uitspraak en stelde dat zij het griffierecht tijdig (deels) had voldaan en dat zij betalingsonmacht had. Tevens werd gewezen op de werkwijze van andere rechtbanken die uitstel van betaling verlenen. Tijdens de zitting op 28 maart 2022 gaf de gemachtigde van opposante aan namens wie het beroep was ingesteld, maar dit was te laat volgens vaste rechtspraak.
De rechtbank oordeelde dat de gronden omtrent griffierechtbetaling niet tot een andere uitkomst konden leiden. Daarnaast werd het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de procedure binnen de verlengde termijn van 28 maanden bleef, mede door corona-gerelateerde vertragingen.
De rechtbank wees ook een verzoek tot proceskostenveroordeling af en benadrukte dat de machtiging in een andere zaak reeds was overgelegd, maar dat dit niet tot herstel van de niet-ontvankelijkheid kon leiden. Het verzet werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.