ECLI:NL:RBMNE:2022:6324
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van recreatiewoning
Eiser, eigenaar van een recreatiewoning uit 1978, betwist de vastgestelde WOZ-waarde van €141.000 per 1 januari 2020, stellende dat deze te hoog is en verlaagd moet worden naar €136.000. De heffingsambtenaar handhaaft de waarde en onderbouwt dit met een taxatiematrix waarin drie vergelijkbare referentiewoningen worden gebruikt.
De rechtbank beoordeelt de bruikbaarheid van de referentiewoningen, ondanks dat deze onderhands zijn verkocht en één woning permanent bewoonbaar is, en concludeert dat de verkoopprijzen marktconform en representatief zijn. De rechtbank vindt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek van eiser om vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de totale duur van bezwaar- en beroepsprocedure van minder dan twee jaar als redelijk wordt beschouwd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt afgewezen.