Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 januari 2022 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster,
[derde-partij] B.V.(vergunninghouder), gevestigd in Swifterbant.
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster maakt bezwaar tegen de door het college verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een fustenopslag buiten de agrarische bedrijfskavel, in strijd met het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om schorsing van de vergunning totdat het college op het bezwaar beslist.
De rechter constateert dat de vergunninghouder al is begonnen met grondwerkzaamheden en spoedeisend belang van verzoekster aanwezig is. De beoordeling richt zich op de voorwaarden voor de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid die het college gebruikte om de vergunning te verlenen: zicht op langdurige vergroting van de productieomvang en het aanbrengen van erfsingelbeplanting.
Op basis van de accountantsverklaring en toelichting is er geen zicht op vergroting van de productieomvang, waardoor de bevoegdheid ontbreekt. Ook is de erfsingelbeplanting nog niet gerealiseerd, al zijn toezeggingen gedaan. De voorzieningenrechter oordeelt dat de vergunning in deze vorm niet rechtmatig is en dat het belang van verzoekster zwaarder weegt dan dat van vergunninghouder.
De omgevingsvergunning wordt daarom geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van verzoekster. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De omgevingsvergunning wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.