Eiser heeft vanaf september 2015 recht op studiefinanciering en heeft op 7 oktober 2020 een verzoek ingediend om het inkomen van zijn moeder vanaf 1 september 2015 buiten beschouwing te laten bij de aanvullende beurs. Verweerder heeft dit verzoek slechts met terugwerkende kracht vanaf 1 november 2018 gehonoreerd, conform de wettelijke termijn van maximaal twee jaar.
Eiser betoogt dat de vertraging in het indienen van de aanvraag te wijten is aan verweerder, onder meer door communicatie waarin werd gesuggereerd dat hij een aanvullende beurs zou ontvangen zodra de inkomensgegevens bekend waren. Verweerder stelt dat eiser redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de termijn en dat er geen sprake is van overmacht.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de wettelijke termijn toepast en dat de hardheidsclausule niet van toepassing is omdat de wetgever bewust een maximale terugwerkende kracht van twee jaar heeft vastgesteld. Eiser had zelf tijdig een aanvraag moeten indienen en de communicatie van verweerder ontslaat hem niet van deze verplichting.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.