ECLI:NL:CRVB:2021:2108
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek loskoppeling alimentatie bij studiefinanciering
Appellante heeft studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), inclusief een aanvullende beurs. Zij vroeg op 8 oktober 2015 om loskoppeling van het inkomen van haar vader bij de vaststelling van de aanvullende beurs vanaf 1 januari 2015 wegens oninbare alimentatie. Dit verzoek werd uiteindelijk toegewezen.
Op 7 februari 2018 diende appellante een nieuw verzoek in om de loskoppeling met terugwerkende kracht te laten ingaan vanaf 1 september 2013, omdat haar vader ook in de periode vóór 2015 niet in staat was alimentatie te betalen. De minister wees dit verzoek af, stellende dat het een nieuw verzoek betrof dat niet binnen de wettelijke termijn viel.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het verzoek terecht als nieuw was gekwalificeerd en afgewezen op grond van artikel 6, tweede lid, van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000). De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De primaire grond dat het besluit op een onjuiste wettelijke grondslag berust, faalt, evenals het subsidiaire beroep op de hardheidsclausule. De Raad benadrukt dat de wetgever bewust een maximale terugwerkende kracht van twee jaar heeft vastgesteld en dat de hardheidsclausule geen ruimte biedt voor afwijking in dit geval.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de afwijzing van het verzoek om loskoppeling. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om loskoppeling van het inkomen van de vader vanaf 1 september 2013 wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.