De zaak betreft een beroep tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een twee-onder-één-kap woning binnen het bestemmingsgebied. Eiser betwist niet dat het bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan, maar stelt dat het bouwplan in strijd is met de bedoeling van het bestemmingsplan en dat er een toezegging was dat kavels in particulier opdrachtgeverschap zouden worden uitgegeven.
De rechtbank oordeelt dat de toetsing van de vergunning gebonden is aan de weigeringsgronden van artikel 2.10 Wabo en dat het bouwplan aan alle voorschriften voldoet. De toelichting op het bestemmingsplan is niet bindend en kan niet worden meegewogen bij de vergunningverlening. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de toezegging van de wethouder niet concreet genoeg was om gerechtvaardigd vertrouwen te wekken.
Verder wordt het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn van één maand voor de behandeling van het beroep en veroordeelt de Staat tot een immateriële schadevergoeding van €500. De uitspraak is gedaan door rechter E.M. van der Linde op 3 maart 2022.