Eiseres meldde zich ziek met depressieve en angstklachten en kreeg een Ziektewet-uitkering toegekend vanaf 13 februari 2020. Verweerder beëindigde deze uitkering per 12 maart 2021 omdat eiseres volgens medisch onderzoek en een arbeidsdeskundig rapport in staat werd geacht om meer dan 65% van haar eerdere loon te verdienen.
Eiseres voerde aan dat zij meer beperkt is dan vastgesteld, onder meer vanwege fibromyalgie, en dat de functies die zij zou kunnen uitoefenen niet geschikt zijn. De rechtbank overwoog dat medische rapportages van verzekeringsartsen als uitgangspunt mogen dienen mits zorgvuldig en begrijpelijk, en dat het aan eiseres is om aan te tonen dat deze rapportages onzorgvuldig of onjuist zijn.
De rechtbank vond geen aanleiding om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. De verzekeringsartsen hadden alle relevante informatie, waaronder een reumatoloograpport, betrokken en concludeerden geen objectiveerbare beperkingen die de arbeidsmogelijkheden beperken. De arbeidsdeskundige had geschikte functies geselecteerd en de verdiencapaciteit correct vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is en dat het standpunt van eiseres onvoldoende is om de medische beoordeling te weerleggen. De Ziektewet-uitkering is terecht beëindigd omdat eiseres meer dan 65% van haar loon kan verdienen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.