AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan
Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 23 augustus 2019, dat op 11 maart 2020 ongegrond werd verklaard. Verzoeker ging in beroep bij de rechtbank. Na benoeming van een deskundige en ontvangst van het rapport, kwam verweerder op het eerdere besluit terug en verklaarde het bezwaar alsnog gegrond. Verzoeker trok daarop het beroep in en vroeg vergoeding van zijn proceskosten.
De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 8:75a Awb bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan, de rechtbank het bestuursorgaan kan veroordelen in de proceskosten. Verweerder had aangegeven de proceskostenveroordeling af te wachten. De rechtbank wees het verzoek toe en veroordeelde verweerder tot betaling van €1.518,- aan proceskosten voor rechtsbijstand en tot vergoeding van het griffierecht van €48,-.
De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 AwbPro en is openbaar gemaakt op 9 maart 2022. De beslissing betreft uitsluitend de proceskostenveroordeling na intrekking van het beroep.
Uitkomst: Het bestuursorgaan wordt veroordeeld tot betaling van €1.518,- aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht van €48,-.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1233
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2022 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M. Vaessen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder
(gemachtigde: mr. M.H.J. van Kuilenburg).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder heeft op 29 september 2021 gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. Verweerder heeft op 23 augustus 2019 een besluit genomen. Verweerder heeft het bezwaar van verzoeker tegen dit besluit op 11 maart 2020 ongegrond verklaard. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan. Na de zitting van 23 oktober 2020 heeft de rechtbank op 22 januari 2021 een deskundige (psychiater) benoemd. Op 25 juni 2021 heeft de deskundige de definitieve rapportage ingediend. Vervolgens heeft verweerder op 21 juli 2021 medegedeeld dat hij terugkomt op het besluit van 11 maart 2020 en het bezwaar tegen de beslissing van 23 augustus 2019 alsnog gegrond verklaard. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde. Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
4. Bij brief van 29 september 2021 heeft verweerder aangegeven dat hij de veroordeling in de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht afwacht.
5. De rechtbank wijst het verzoek ten aanzien van de proceskosten in beroep toe en veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker. Bij het nieuwe besluit heeft verweerder al een proceskostenveroordeling voor de kosten van het indienen van een bezwaarschrift en het bijwonen van de hoorzitting in de bezwaarfase toegekend.
6. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).
7. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet.
Beslissing
De rechtbank:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.518,- aan proceskosten;
- veroordeelt verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier .De beslissing is uitgesproken op 9 maart 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.