Eiser had een bijstandsuitkering die in 2013 werd ingetrokken, waarna verweerder tot terugvordering en boete overging. Na een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep werd een restantschuld vastgesteld. Eiser verzocht in 2021 om kwijtschelding van deze schuld en om herziening van een eerdere afwijzing van een Bbz-uitkering. Verweerder wees beide verzoeken af, waarna eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat de verjaring van de vordering per augustus 2018 is ingetreden omdat verweerder niet kon aantonen dat de stuitingshandelingen via brieven en saldobiljetten daadwerkelijk waren verzonden. Het verzoek om kwijtschelding na verjaring leidt niet tot stuiting met terugwerkende kracht. De rechtbank verklaart het bezwaar tegen de afwijzing van het kwijtscheldingsverzoek niet-ontvankelijk en vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de kwijtschelding. Het verzoek om herziening van de Bbz-afwijzing faalt omdat er geen concreet besluit was.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. Het beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde deel van het besluit.