Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het verzoekschrift op grond van artikel 378 Faillissementswet Pro (Fw) van 7 december 2022,
- de beschikking op grond van artikel 376 Fw Pro van 9 december 2022,
- de brief van [verzoekster] van 15 februari 2023 met daarin een aanvulling op het verzoek op grond van artikel 378 Fw Pro,
- het verzoekschrift op grond van artikel 376 Fw Pro van 27 februari 2023.
- de heer [naam 1] , bestuurder van [verzoekster] ,
- de heer mr. A.W. de Man, advocaat van [verzoekster] ,
- de heer [naam 2] , adviseur bij [Organisatie]
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De beoordeling
Afkoelingsperiode
5.De beslissing
- dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van [verzoekster] behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van [verzoekster] bevinden, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt aangeboden,
- dat de behandeling van een verzoek tot verlening van surseance van betaling, een eigen aangifte of een door een schuldeiser jegens [verzoekster] ingediend verzoek tot faillietverklaring wordt geschorst;