Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De beoordeling
de arbeidsovereenkomst is niet geëindigd
793,00
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil over de beëindiging van een uitzendovereenkomst tussen verzoeker en verweerster. Verzoeker betwist dat de arbeidsovereenkomst per 9 december 2022 van rechtswege is geëindigd, terwijl verweerster dit stelt. De kantonrechter concludeert dat verweerster onvoldoende heeft onderbouwd dat de overeenkomst is geëindigd, mede omdat geen einddatum in het contract is opgenomen en bewijs daarvoor ontbreekt.
Verzoeker vordert betaling van achterstallig salaris over november 2022 tot en met januari 2023, met wettelijke verhoging en rente, en het verschaffen van salarisspecificaties. Verweerster stelt dat verzoeker niet beschikbaar was voor passend werk en weigert loonbetaling. De kantonrechter stelt vast dat verweerster geen herplaatsingsgesprek heeft gevoerd zoals vereist in de cao, waardoor verzoeker recht heeft op doorbetaling tot 9 december 2022.
Voor de periode na 9 december 2022 oordeelt de rechter eveneens in het voordeel van verzoeker, omdat verweerster geen passend werk meer heeft aangeboden en de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd. Het verzoek tot toelating tot werkzaamheden wordt afgewezen omdat eerst een herplaatsingsgesprek moet plaatsvinden. De proceskosten worden aan verweerster opgelegd.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is niet geëindigd en verweerster wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig salaris met wettelijke verhoging en rente.