ECLI:NL:RBMNE:2023:1205
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens toerekening vakantiegeld aan april leidt niet tot kennelijk onredelijk resultaat
Eiser heeft een WW-uitkering aangevraagd na gedeeltelijke beëindiging van zijn dienstverband per 1 april 2022. Het UWV heeft zijn inkomen berekend inclusief het in april uitbetaalde vakantiegeld, waardoor het inkomen hoger was dan 87,5% van het WW-maandloon, en heeft de uitkering geweigerd.
Eiser betoogde dat het toerekenen van het vakantiegeld aan april leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat zoals bedoeld in artikel 4:1, elfde lid van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB), omdat hij zonder deze toerekening wel recht zou hebben op een WW-uitkering.
De rechtbank stelt dat het nadeel voor eiser niet uniek is en voortvloeit uit de systematiek van het AIB, die voor iedereen geldt. Eiser heeft geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd die het resultaat kennelijk onredelijk maken. De rechtbank concludeert dat het UWV het inkomen juist heeft berekend en de weigering van de WW-uitkering terecht is.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter E.M. van der Linde op 9 maart 2023.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens correcte toerekening van vakantiegeld.