ECLI:NL:CRVB:2019:3902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep UWV tegen uitspraak rechtbank inzake berekening WIA-uitkering en kennelijk onredelijk resultaat
Betrokkene ontving een WIA-uitkering van het UWV, die in 2014 werd beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Het UWV berekende het inkomen over 2014 evenredig over twaalf maanden, wat leidde tot een terugvordering van te veel ontvangen uitkering. Betrokkene stelde dat de berekening onredelijk was omdat de inkomsten vooral in het derde en vierde kwartaal werden gerealiseerd, na beëindiging van de uitkering.
De rechtbank oordeelde dat de berekeningswijze van het UWV in dit geval leidde tot een kennelijk onredelijk resultaat en vernietigde het besluit, met de opdracht aan het UWV om opnieuw te beslissen. Het UWV ging in hoger beroep en voerde aan dat de systematiek van artikel 4:1 AIB Pro geen afwijking toestaat tenzij sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat, wat volgens het UWV niet het geval was.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de evenredige toerekening aan kalendermaanden inherent is aan de systematiek van het AIB en dat variatie in inkomsten bij zelfstandigen normaal is. Het feit dat betrokkene na beëindiging van de uitkering meer inkomsten had, is geen reden om de systematiek te verlaten. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van het UWV gegrond, waarmee het bezwaar van betrokkene ongegrond bleef.
De Raad wees ook op het belang van een langere periode voor een juist beeld van inkomsten en benadrukte dat niet elk nadelig feitelijk resultaat als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 4 december 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt toegewezen en het bezwaar van betrokkene tegen de berekening van het inkomen wordt ongegrond verklaard.