Uitspraak
1.De procedure
2.De beoordeling
160,00(2 punten x tarief € 80,00)
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseres huurde sinds 7 augustus 2021 een woning van gedaagde voor onbepaalde tijd met een contractuele opzegtermijn van twee maanden. Bij opzegging per 7 oktober 2022 stelde gedaagde dat de huurovereenkomst pas eind oktober zou eindigen, maar eiseres betwistte dit en stelde dat het opzegtermijnbeding oneerlijk en nietig is.
De kantonrechter oordeelde dat het opzegtermijnbeding inderdaad een oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13 en derhalve nietig op grond van artikel 7:271 lid 7 BW Pro. Conversie naar een kortere opzegtermijn was niet mogelijk omdat het beding buiten toepassing moest blijven. De huurovereenkomst eindigde derhalve per direct op 8 augustus 2022, waarna eiseres de woning op 30 augustus 2022 ontruimde.
Gedaagde had een deel van de waarborgsom verrekend met vermeende huur voor september 2022, maar dit was onterecht omdat de huurovereenkomst eerder was geëindigd. De kantonrechter veroordeelde gedaagde tot terugbetaling van het resterende bedrag van de waarborgsom met wettelijke rente vanaf 8 oktober 2022. De gevorderde buitengerechtelijke kosten werden afgewezen omdat gedaagde nog niet in verzuim was bij dagvaarding. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten van eiseres.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: Het opzegtermijnbeding van twee maanden is oneerlijk en nietig, de huurovereenkomst eindigde per direct en gedaagde moet de waarborgsom terugbetalen met rente.