Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het verloop van de procedure
2.Waar gaat het over?
3.De beoordeling
793,00(tarief gemiddelde zaak)
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil over de berekening van de transitievergoeding na beëindiging van een arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. De werknemer trad in 2000 in dienst als internationaal chauffeur en was aangesloten bij de cao Beroepsgoederenvervoer. De arbeidsovereenkomst werd per 1 november 2022 beëindigd met toestemming van het UWV. De werknemer ontving een transitievergoeding van €27.992,98 bruto, maar betwistte de hoogte hiervan.
De kern van het geschil was of partijen een vaste arbeidsomvang waren overeengekomen. Dit is van belang omdat bij een wisselende arbeidsduur de referteperiode voor de berekening van de transitievergoeding kan worden voorverlengd, waarbij de periode van arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing blijft. De arbeidsovereenkomst vermeldde een brutoloon voor 160 uur per vier weken, maar geen vaste arbeidsomvang. De werknemer had bovendien structureel meer uren gewerkt dan dit aantal.
De kantonrechter oordeelde dat geen vaste arbeidsomvang was overeengekomen en dat de praktijk een wisselende arbeidsduur weerspiegelde. Daarom moest de transitievergoeding worden berekend met toepassing van de voorverlenging van de referteperiode, waardoor de periode van arbeidsongeschiktheid niet werd meegenomen. Dit leidde tot een hogere transitievergoeding van €35.713,88 bruto. De werkgever werd veroordeeld het verschil van €7.180,90 te betalen en in de proceskosten.
Uitkomst: Werkgever moet transitievergoeding herberekenen met voorverlenging van de referteperiode en het verschil betalen aan werknemer.