Eiseres, werkgever van een werkneemster die sinds januari 2019 wegens medische klachten uitviel, werd door het UWV een loonsanctie opgelegd omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen zou hebben verricht. De bedrijfsarts had de werkneemster in de periode juli tot september 2020 marginaal belastbaar geacht, maar het UWV stelde dat dit onterecht was en dat hierdoor re-integratiekansen zijn gemist.
De rechtbank oordeelt dat het UWV onvoldoende heeft onderbouwd waarom het oordeel van de bedrijfsarts onredelijk zou zijn geweest. De medische stukken tonen aan dat de werkneemster een complexe medische situatie had, met een tijdelijke stopzetting van het re-integratietraject vanwege verergering van klachten en een medische terugval. De verzekeringsartsen van het UWV hebben onvoldoende rekening gehouden met deze context en hebben geen aanvullende informatie bij de behandelaar opgevraagd.
De verklaring van de werkneemster dat zij mantelzorger was en het huishouden deed, weegt onvoldoende zwaar om het deskundig oordeel van de bedrijfsarts te betwijfelen. De rechtbank vernietigt daarom het besluit van het UWV en beveelt een nieuwe beoordeling waarbij het UWV niet alleen op de verklaring van de werkneemster mag afgaan. Tevens wordt het griffierecht en proceskosten aan eiseres toegekend.