ECLI:NL:CRVB:2021:964
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging doorbetaling ziekengeld wegens tekortschieten re-integratieplicht werkgever
Werknemer viel op 13 april 2015 uit en werd door de bedrijfsarts aangemerkt als zijnde in een situatie van geen benutbare mogelijkheden (GBM) om te re-integreren. Het UWV besloot op 15 februari 2017 dat appellante het ziekengeld tot 9 april 2018 moest doorbetalen wegens tekortschieten in de re-integratieplicht. Appellante maakte bezwaar en stelde dat de bedrijfsarts conform richtlijnen had gehandeld en dat het UWV werknemer ten onrechte niet had opgeroepen voor een spreekuur.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, ondanks een motiveringsgebrek, omdat dit geen benadeling van appellante opleverde. In hoger beroep voerde appellante aan dat de GBM-situatie wel juist was vastgesteld en dat het UWV het besluit niet had mogen handhaven zonder oproep van werknemer. Het UWV handhaafde het besluit en stelde dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren omdat de bedrijfsarts ten onrechte van GBM was uitgegaan.
De Raad concludeerde dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht zonder deugdelijke grond. De medische rapporten en arbeidsdeskundige concludeerden dat er sprake was van stagnatie door onjuiste aanname van GBM. Het hoger beroep van appellante werd verworpen en het incidenteel hoger beroep van het UWV werd toegewezen. De proceskostenveroordeling werd afgewezen, maar het griffierecht werd vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en het besluit van het UWV tot doorbetaling van ziekengeld wordt bevestigd.