De rechtbank Midden-Nederland behandelde een zedenzaak tegen verdachte, geboren in 2005, die werd beschuldigd van seksueel misbruik en mishandeling van twee minderjarige slachtoffers in de periode van oktober 2017 tot juli 2019 op diverse locaties in Nederland en Italië.
De officier van justitie achtte de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte vanwege inconsistenties en gebrek aan detail in de verklaringen van de slachtoffers, alsmede het ontbreken van objectief steunbewijs. Tevens werd een alternatief scenario voorgesteld dat de beschuldigingen voortkwamen uit familiale spanningen.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van beide slachtoffers onvoldoende betrouwbaar en geloofwaardig waren. Belangrijke details ontbraken, er waren tegenstrijdigheden in de verklaringen, en de context van complexe familierelaties en suggestieve vraagstelling bij eerste meldingen speelde mee. Omdat er geen aanvullend onafhankelijk bewijs was, kon de rechtbank het ten laste gelegde niet bewezen verklaren.
De benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding, die zij bij de burgerlijke rechter kunnen voortzetten. De rechtbank veroordeelde hen tevens in de proceskosten van verdachte, die tot op heden nihil zijn begroot.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer op 28 maart 2023 te Lelystad, waarbij verdachte werd vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.