Eiseres, bestuurder en franchisenemer van een horecaketen, verzocht om een vergunning voor een alcoholvrij horecabedrijf en een terrasvergunning. De burgemeester van Almere weigerde deze vergunningen op grond van de Wet Bibob vanwege een ernstig gevaar dat de vergunningen mede gebruikt zouden worden voor strafbare feiten, gebaseerd op strafbare feiten gepleegd door personen in het netwerk van eiseres, waaronder haar echtgenoot, schoonvader en zwager.
De rechtbank oordeelt dat de burgemeester ten onrechte een ernstig vermoeden van feitelijk leidinggeven aan heling en vuurwapenhandel heeft betrokken bij de beoordeling van het gevaar, omdat daarvoor onvoldoende bewijs is. Wel acht de rechtbank het ernstig vermoeden van herhaaldelijke overtredingen van de Drank- en Horecawet door de echtgenoot en schoonvader als ernstig en relevant.
De rechtbank concludeert dat het gevaar dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen een mindere mate van gevaar betreft en dat de weigering van de vergunningen niet evenredig is. De burgemeester wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij ook de mogelijkheid van het verbinden van voorschriften aan de vergunningen moet worden onderzocht. Daarnaast wordt de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.