Eiseres, exploitant van een alcoholvrij horecabedrijf, kreeg in 2017 vergunningen verleend voor haar bedrijf en terras. De burgemeester van Almere trok deze vergunningen in 2022 in op grond van de Wet Bibob, omdat er een ernstig gevaar zou bestaan dat de vergunningen worden gebruikt voor strafbare feiten. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar.
De rechtbank oordeelt dat de burgemeester dezelfde feiten ten grondslag legt aan de intrekking als aan de eerdere weigering van een vergunningaanvraag voor een andere vestiging van eiseres, waarbij de rechtbank eerder al concludeerde dat er slechts een mindere mate van gevaar is en de weigering onevenredig was. De intrekking van de vergunningen is daarom ook onevenredig.
Hoewel eiseres het Bibob-formulier niet heeft ingevuld, wat een ernstig gevaar oplevert, is de intrekking van de vergunningen een zware maatregel die niet gerechtvaardigd is gezien de omstandigheden en de eerdere uitspraak. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en laat de vergunningen herleven.
De burgemeester wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak sluit niet uit dat in de toekomst bij weigering van het invullen van het Bibob-formulier alsnog intrekking kan volgen, maar nu is die maatregel niet proportioneel.