ECLI:NL:RBMNE:2023:1862
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van appartement
Eiser betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement aan een adres in een woonplaats, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €302.000 per 1 januari 2021 voor het belastingjaar 2022. Eiser stelde dat de waarde te hoog was en niet hoger mocht zijn dan €287.000. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin vier vergelijkbare appartementen werden gebruikt als referentie.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De referentiewoningen lagen in hetzelfde complex, hadden vergelijkbare gebruiksoppervlakten en waren rondom de waardepeildatum verkocht. De waardeverhouding was inzichtelijk gemaakt en de verschillen tussen de woningen waren voldoende meegenomen.
Eiser voerde aan dat de woning slechts een gemiddelde staat had, terwijl verweerder uitging van een bovengemiddelde staat. De rechtbank stelde vast dat eiser niet had gereageerd op een informatieverzoek en dat een informatiebeschikking onherroepelijk was geworden, waardoor de bewijslast ten aanzien van de staat van de woning was omgekeerd en verzwaard. Verweerder had voldoende onderbouwd dat de woning een bovengemiddelde staat had, mede gezien de verbeteringen uit 2015 en de vergelijking met voormalige sociale huurwoningen.
De rechtbank verwierp de beroepsgronden en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €302.000 wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd.