ECLI:NL:HR:2003:AF6486
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vermindering aanslag inkomstenbelasting wegens onvoldoende redelijke schatting door Inspecteur
In deze zaak betrof het een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997, opgelegd aan belanghebbende naar een belastbaar inkomen van ƒ 116.659. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, waarna belanghebbende beroep instelde bij het Hof. Het Hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de aanslag en stelde deze vast op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 36.659.
De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen cassatieberoep in. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan, waardoor de bewijslast omkeert. Dit ontslaat de Inspecteur echter niet van de verplichting om de correctie te onderbouwen en aannemelijk te maken.
Het Hof had geoordeeld dat de schatting van de Inspecteur van de verzwegen inkomsten op ƒ 100.000 niet redelijk was en derhalve de aanslag naar willekeur was vastgesteld. Dit oordeel was juist en niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het Hof had vervolgens zelf een redelijke schatting gemaakt van ƒ 20.000, welke schatting in cassatie niet met vrucht kon worden bestreden.
De Hoge Raad verklaarde het beroep van de Staatssecretaris ongegrond en veroordeelde de Staat tot vergoeding van de proceskosten. Hiermee blijft de vermindering van de aanslag gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt verminderd conform het oordeel van het Hof.