V. Geestelijk letsel
23. Verzoekster heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat zij naar eigen zeggen geestelijk letsel heeft opgelopen door het onrechtmatig handelen van het Uwv. Elke keer als verzoekster een brief ontving van het Uwv werkte dat als een rode vlag op haar genezing. Dat bracht niet slechts psychisch onbehagen teweeg, maar heeft haar op ernstige wijze in haar persoon aangetast. Ter onderbouwing heeft verzoekster pagina 12 van de expertise van het DC Expertise Centrum overgelegd waar een samenvatting wordt gegeven van de informatie van 7 november 2019 van S. Glandorff, de psychosomatisch fysiotherapeut van verzoekster. Hieruit volgt volgens verzoekster onder meer dat de belangrijkste belemmerende factor voor herstel volgens de psychosomatisch fysiotherapeut, de stress en onzekerheid is die verzoekster ervaart door de letselschade en Uwvprocedure. Die belemmering is volgens hem zodanig dat er te weinig ruimte is om de behandeling voort te zetten; de geboekte voortgang wordt weer teniet gedaan door de hierdoor ervaren stress.
24. De rechtbank stelt voorop dat verzoekster alleen recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als zij in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Daarbij moet het gaan om een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of op andere persoonlijkheidsrechten.De samenvatting van de informatie van de psychosomatisch fysiotherapeut is hiervoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Hoewel aannemelijk is dat verzoekster gevoelens van onvrede, psychisch ongenoegen of zelfs stress aan de gang van zaken heeft overgehouden, blijkt uit de samengevatte informatie van de psychosomatisch fysiotherapeut niet van zeer ernstige psychisch letsel, of van een aantasting van verzoekster in haar persoon. Daarvan is pas sprake bij een crisis of andere acute medische noodsituatie.Daar komt nog bij dat in de samenvatting van de informatie van de psychosomatisch fysiotherapeut ook de letselschadeprocedure als oorzaak wordt genoemd. Als uit die informatie dus al zou blijken van een aantasting van verzoekster in haar persoon, dan blijkt daaruit niet in hoeverre de onrechtmatige besluitvorming van de Uwv daar in oorzakelijk verband toe staat. De rechtbank zal het verzoek op dit punt daarom niet toewijzen.
25. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek om schadevergoeding gedeeltelijk toewijzen, namelijk:
- tot een bedrag van € 170,08 aan wettelijke rente, te betalen door het Uwv, en;
- tot een bedrag van € 500,-- wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase, te betalen door de Staat der Nederlanden.
Voor het overige zal de rechtbank het verzoek om schadevergoeding niet toewijzen.
26. Omdat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding gedeeltelijk toewijst, veroordeelt zij het Uwv in de proceskosten die verzoekster heeft gemaakt. De kosten voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand van de gemachtigde van verzoekster, stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op € 1.674,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 837,-- en een wegingsfactor 1).
27. De rechtbank bepaalt tot slot dat het Uwv het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,-- aan verzoekster vergoedt.
- wijst het verzoek om schadevergoeding gedeeltelijk toe;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van een schadevergoeding aan verzoekster van € 170,08,
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van een schadevergoeding aan verzoekster van € 500,--;
- wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.674,--;
- bepaalt dat het Uwv het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,-- aan verzoekster vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzitter, en mr. Y.N.M. Rijlaarsdam en mr. ing. A. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2023.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.