ECLI:NL:CRVB:2014:102
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding na te late bijstandsuitbetaling ondanks toekenning wettelijke rente
Appellant diende op 27 oktober 2006 een aanvraag in voor bijstand, die aanvankelijk werd afgewezen. Na een eerdere vernietiging door de Centrale Raad van Beroep werd de bijstand alsnog toegekend over de periode van 16 oktober 2006 tot en met 16 april 2007. Appellant verzocht vervolgens om vergoeding van materiële en immateriële schade vanwege de vertraging.
Het college kende wettelijke rente toe over de nabetaling, maar wees overige schadevergoedingen af. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door de onrechtmatige besluitvorming onder meer zijn ziektekostenpremie niet kon voldoen en dat het college zijn grondrechten had geschonden, met name artikel 3 en Pro 8 EVRM.
De Raad oordeelde dat de wettelijke rente de schadevergoeding wegens vertraging dekt en dat geen zelfstandige vergoeding van beslagkosten plaatsvindt. De omstandigheden van appellant zijn niet vergelijkbaar met situaties waarin artikel 3 EVRM Pro wordt geschonden, en ook artikel 8 EVRM Pro is niet geschonden. Ten slotte is de redelijke termijn niet overschreden. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Verzoeken om materiële en immateriële schadevergoeding worden afgewezen, alleen wettelijke rente wordt toegekend.