Eiseres verzocht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om inspectiegegevens over controles bij paddenstoelentelers van 2017 tot 2020 openbaar te maken. De minister weigerde dit, stellende dat openbaarheid het belang van inspectie en toezicht zou schaden, mede vanwege een collectieve aanpak met de branche om arbeidsomstandigheden te verbeteren.
De rechtbank oordeelde dat de minister de documenten in eerste instantie terecht niet openbaar maakte om de collectieve aanpak te beschermen. Echter, vanaf medio 2020 brak een nieuwe fase aan waarin hercontroles werden uitgevoerd en het onderzoek feitelijk was afgerond. Vanaf dat moment kon de minister het belang van inspectie niet langer aanvoeren om openbaarmaking te weigeren.
De minister had ook onvoldoende gemotiveerd waarom openbaarmaking zou leiden tot onevenredig nadeel voor bepaalde bedrijven. De rechtbank stelde dat reputatieschade onvoldoende is voor weigering en dat de minister context kan bieden via toelichting of disclaimers. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering en bepaalde dat de minister binnen twaalf weken een nieuw besluit moet nemen conform de Woo.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.