ECLI:NL:RVS:2019:3106
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Openbaarheid boeterapporten en inspectierapporten onder de Wet openbaarheid van bestuur
De zaak betreft een hoger beroep van de FNV en een groep appellanten tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over de openbaarmaking van inspectie- en boeterapporten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
FNV had bij de minister een Wob-verzoek ingediend voor documenten over inspecties bij diverse bedrijven, waaronder appellante sub 2 en anderen. De minister besloot deze documenten deels openbaar te maken, met uitzondering van bepaalde persoonsgegevens en bedrijfsnamen. Appellante sub 2 en anderen maakten bezwaar tegen openbaarmaking vanwege mogelijke reputatieschade en financiële nadelen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond voor enkele documenten die niet tot boetes hadden geleid en vernietigde het besluit voor die documenten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt echter dat de minister terecht de documenten openbaar heeft gemaakt die aan boetes ten grondslag liggen, omdat die boetes in rechte vaststaan en er geen sprake is van onevenredige benadeling. Voor documenten zonder boete was het achterwege laten van openbaarmaking terecht.
De Raad van State vernietigt daarom het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de openbaarmaking van documenten zonder boete verbiedt en verklaart het hoger beroep van FNV gegrond en dat van appellante sub 2 en anderen ongegrond. Tevens veroordeelt zij de minister tot vergoeding van proceskosten aan FNV.
Uitkomst: De minister heeft terecht documenten openbaar gemaakt die aan boetes ten grondslag liggen, terwijl openbaarmaking van een document zonder boete onterecht was geweigerd.