Uitspraak
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser
de Minister voor Rechtsbescherming
[derde-partij], uit [woonplaats 2] (Hongarije), derde-partij
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een beroep van de vader tegen de beslissing van de minister voor Rechtsbescherming om de achternaam van zijn minderjarige zoon te wijzigen naar de achternaam van de moeder. De minister had de aanvraag van de moeder ingewilligd en was bij bezwaar gebleven. De rechtbank stelt vast dat aan de formele voorwaarden voor naamswijziging is voldaan, aangezien de moeder het kind ten minste vijf jaar heeft verzorgd en opgevoed en de vader niet met het kind in gezinsverband heeft samengeleefd.
Echter heeft de minister onvoldoende onderzocht of de naamswijziging kan leiden tot verduistering van de afkomst van het kind, een belangrijk belang dat zwaar weegt bij de beoordeling. De vader betwist dat het kind is voorgelicht over zijn afkomst en wijst op het ontbreken van contact en communicatie. De minister heeft dit betoog niet adequaat onderzocht en niet doorgevraagd bij de moeder, terwijl de verklaringen van partijen tegenstrijdig zijn.
De rechtbank oordeelt dat het belang van het kind om voorgelicht te worden over zijn afkomst groot is en dat de minister daarom het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd in strijd met artikel 7:12 Awb Pro. De rechtbank geeft de minister de gelegenheid om binnen zes weken het gebrek te herstellen door een nadere motivering of een nieuwe beslissing op bezwaar, waarbij de moeder opnieuw moet worden gehoord. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak.
Uitkomst: De rechtbank wijst het besluit van de minister af wegens onvoldoende motivering en gelast een heronderzoek met aanvullende motivering.