Eiser was sinds 1997 lid van de coöperatie en verrichtte taxidiensten via een vennootschap onder firma. De coöperatie zegde het lidmaatschap op met als reden dat eiser eigen ritten zou rijden buiten de centrale om en een eigen visitekaartje gebruikte.
Eiser betwistte het verrichten van eigen werk en stelde dat de opzegging onrechtmatig was. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs was geleverd dat eiser eigen ritten had gereden na de waarschuwing van de coöperatie. Ook het hebben van een eigen visitekaartje werd niet als zwaarwegende reden gezien.
De rechtbank benadrukte dat het bestuur een hoge drempel moet hanteren om lidmaatschap op te zeggen en dat het bestuur niet aannemelijk had gemaakt dat het lidmaatschap niet langer voortgezet kon worden. De opzegging werd daarom als onrechtmatig beoordeeld.
Eiser werd in het gelijk gesteld en de coöperatie werd veroordeeld tot schadevergoeding, nader vast te stellen in een schadestaatprocedure. Proceskosten en wettelijke rente werden eveneens toegewezen.
De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldigheid en redelijkheid bij het beëindigen van lidmaatschappen binnen coöperaties.