De rechtbank Midden-Nederland behandelde de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van het samen met anderen plegen van seksuele handelingen met een minderjarig meisje in een toestand van bewusteloosheid of verminderd bewustzijn.
De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 24 maanden, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte, stellende dat het slachtoffer niet in een onmachtige toestand verkeerde en dat verdachte niet betrokken was bij de meeste handelingen.
Na beoordeling van verklaringen van het slachtoffer, getuigen, medeverdachten en toxicologisch onderzoek, oordeelde de rechtbank dat onvoldoende bewijs bestond dat het slachtoffer niet in staat was haar seksuele integriteit te beschermen en dat verdachte dit wist of bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde.
De wisselende verklaringen van het slachtoffer en het feit dat zij kort na de gebeurtenissen helder gebruik maakte van haar mobiele telefoon, ondersteunden de beschuldigingen onvoldoende. Ook het toxicologisch onderzoek toonde niet aan dat het slachtoffer in een toestand verkeerde die haar wilsonbekwaam maakte.
De rechtbank sprak verdachte vrij, verklaarde het slachtoffer niet-ontvankelijk in haar schadevordering en veroordeelde haar in de kosten van de verdediging.