ECLI:NL:RBMNE:2023:3292

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 juni 2023
Publicatiedatum
4 juli 2023
Zaaknummer
22/453
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbWet waardering onroerende zaken
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken machtiging in WOZ-zaak

In deze bestuursrechtelijke zaak betreft het een beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een woning voor het belastingjaar 2021. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €135.000,- en een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd. Eiser, vertegenwoordigd door Bartels, stelde beroep in na een ongegrond verklaard bezwaar.

De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat Bartels geen geldige machtiging heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij bevoegd is om namens eiser het beroep in te stellen. De rechtbank heeft Bartels meerdere malen de gelegenheid gegeven om dit te herstellen, maar zonder resultaat.

Omdat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard, komt de rechtbank niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep. Tevens wijst de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade af, omdat niet is vastgesteld dat eiser de procedure wilde starten. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een geldige machtiging.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/453

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2023 in de zaak tussen

mr. D.A.N. Bartels MRE veronderstellenderwijs handelend namens [eiser], te [woonplaats], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente 1], verweerder

(gemachtigde: B. Schras).

Procesverloop

In de beschikking van 28 februari 2021 (het primaire besluit) heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [woonplaats] voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op € 135.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2020. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendzaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
Eiser is tegen het primaire besluit in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van
13 december 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar.
De zaak is behandeld op de digitale zitting van 19 juni 2023. Bartels was daarbij aanwezig. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan, waarbij is gewezen op de mogelijkheid om daartegen in hoger beroep te gaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. Het beroep is ingesteld door de heer Bartels, veronderstellenderwijs handelend namens [eiser]. Bij het beroepschrift is geen machtiging meegestuurd. In artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht staat dat een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het beroep niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Voordat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard moet de indiener van het beroep wel in de gelegenheid zijn gesteld om het verzuim te herstellen.
2. De rechtbank heeft bij brieven van 8 februari 2022 en 19 april 2022 Bartels bericht dat het beroep niet voldoet aan de gestelde voorwaarden. De rechtbank heeft hem daarom in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken alsnog een schriftelijke machtiging te sturen waaruit blijkt dat deze machtiging zich uitstrekt tot het verrichten van proceshandelingen en het aanwenden van rechtsmiddelen.
3. In deze brieven is nadrukkelijk vermeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren, indien het geconstateerde verzuim niet tijdig wordt hersteld.
4. Bartels heeft bij brief van 17 mei 2022 gereageerd op de brief van 19 april 2022 en heeft daarbij de volgende stukken overgelegd:
- een e-mail naar ‘[A]’;
- een e-mail van ‘[B]’ van de afdeling belastingen van de gemeente [gemeente 2]. In deze e-mail verzoekt de heer [B] Bartels om verschillende volmachten toe te sturen.
5. Bij deze brief is echter geen volmacht meegestuurd waaruit blijkt dat Bartels gemachtigd is om namens [eiser] beroep in te stellen en in beroep op te treden.
6. De rechtbank kan zonder volmacht niet vaststellen dat Bartels bevoegd is om namens eiser ([eiser]) beroep in te stellen. Met de brieven van 8 februari 2022 en 19 april 2022 is Bartels voldoende in de gelegenheid gesteld het geconstateerde verzuim te herstellen in de zin van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om Bartels te volgen in zijn standpunt dat de rechtbank hem na ontvangst van de brief van 17 mei 2022 nogmaals had moeten verzoeken om een volmacht over te leggen.
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank komt dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
8. Bartels heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over de belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat [eiser] beroep wenste in te stellen en een procedure wilde starten. Om die reden kan ook niet worden vastgesteld dat [eiser] immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Burggraaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.