ECLI:NL:RBMNE:2023:3525
Rechtbank Midden-Nederland
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning; vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Eiseres maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning, een maisonnette uit 1955 met een gebruiksoppervlakte van 101 m², gelegen aan een adres in Utrecht. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €274.000 per 1 januari 2020, terwijl eiseres een hogere waarde van €329.000 vorderde. Na een uitspraak op bezwaar die de waarde handhaafde, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar met een taxatiematrix en vergelijkbare verkochte woningen aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te laag was. De rechtbank verwierp het standpunt van eiseres dat de huurder als partij had moeten worden betrokken, omdat dit bezwaar na de uitspraak op bezwaar was ingebracht en niet het belang van eiseres diende.
Verder stelde eiseres een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de totale duur van bezwaar- en beroepsfase ruim twee jaar bedroeg, wat de redelijke termijn overschreed. Gelet op het relatief geringe financiële belang en de aard van de procedure, kende de rechtbank een symbolische vergoeding van €50 toe.
Het beroep werd ongegrond verklaard, de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding, maar hoefde het griffierecht niet te vergoeden. Verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de kosten voor het verzoek om schadevergoeding minimaal waren.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar de heffingsambtenaar moet €50 immateriële schadevergoeding betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn.