ECLI:NL:RBMNE:2023:3526
Rechtbank Midden-Nederland
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen aanslag waterschapsheffing en WOZ-waarde ongegrond met vergoeding overschrijding redelijke termijn
Eiser heeft beroep ingesteld tegen aanslagen waterschapsheffing voor 2019 en WOZ-waarde voor 2021 van zijn woning. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar tegen de aanslag waterschapsbelasting terecht ongegrond is verklaard, omdat het bezwaar zich richt op de WOZ-waarde die niet onderdeel is van die aanslag. De aanslag is terecht opgelegd op basis van een onherroepelijke WOZ-waarde van € 300.000.
Ten aanzien van de WOZ-waarde voor 2021 handhaaft de rechtbank de vastgestelde waarde van € 498.000, omdat de heffingsambtenaar met een taxatiematrix en toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat deze niet te hoog is vastgesteld. De vergelijkingsmethode met referentiewoningen uit dezelfde bouwtijd en wijk is adequaat toegepast.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van de bezwaar- en beroepsprocedures in beide zaken is overschreden, respectievelijk met ruim drie en vier maanden. De overschrijding is toe te rekenen aan de heffingsambtenaar. Gelet op de aard van de zaak en de relatief geringe financiële belangen acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 50 per half jaar overschrijding billijk.
De beroepen worden ongegrond verklaard, maar de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding van € 50 in beide zaken. Verzoeken om vergoeding van proceskosten worden afgewezen, aangezien de kosten voor de verzoeken om schadevergoeding minimaal waren.
Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen worden ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van € 50 per zaak wegens overschrijding van de redelijke termijn.