ECLI:NL:RBMNE:2023:3559
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement, welke door de heffingsambtenaar op €242.000,- was vastgesteld. De rechtbank beoordeelde het beroep nadat de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond had verklaard en de WOZ-waarde handhaafde.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld, onder meer op basis van een taxatieverslag waarin vergelijkbare appartementen in de omgeving waren meegenomen. De summiere betwisting door eiser was onvoldoende om het taxatieverslag te weerleggen.
Daarnaast behandelde de rechtbank het verzoek van eiser om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de procedure met ruim vier maanden werd overschreden, werd een relatief geringe vergoeding van €50,- passend geacht, mede vanwege het financiële belang van eiser en de aard van de zaak.
De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van deze vergoeding, wees het beroep verder af en kende geen proceskostenvergoeding toe aan eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter R.C. Stijnen op 11 juli 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar moet €50,- immateriële schadevergoeding betalen wegens termijnoverschrijding.