Verzoekster werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) vanaf 23 december 2021 geschikt geacht voor arbeid en kwam daardoor niet in aanmerking voor een Ziektewet-uitkering. Na bezwaar en beroep wijzigde UWV het besluit op 26 januari 2023, waardoor verzoekster alsnog recht kreeg op de uitkering. Hierop trok verzoekster het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten en deskundigenkosten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aan het beroep is tegemoetgekomen en veroordeelde hem tot vergoeding van de proceskosten voor rechtsbijstand en de kosten van een ingeschakelde verzekeringsarts, waarbij het uurtarief en redelijkheid van de kosten werden getoetst. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over de niet tijdig betaalde uitkering vanaf de eerste dag van de maand volgend op de betreffende periode.
Daarnaast werd verweerder verplicht het betaalde griffierecht van verzoekster te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Wolbrink op 9 mei 2023 en de rechter was verhinderd de uitspraak te ondertekenen.