Derde-partijen bouwden een schuur op hun perceel, die later bleek niet geheel vergunningsvrij te zijn. Eiser, wonende op circa 33 meter afstand en met beperkt zicht op de schuur, verzocht het college om handhaving wegens overtreding van bouwregels en aantasting van het groene karakter van de wijk.
Het college wees het handhavingsverzoek af vanwege geringe overschrijding van de afstandsvereiste en de onevenredigheid van handhavend optreden. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het bestreden besluit.
De rechtbank beoordeelde ambtshalve of eiser als belanghebbende kon worden aangemerkt. Gelet op de afstand, het beperkte zicht door tussengelegen percelen en beplanting, en de beperkte ruimtelijke uitstraling van de schuur, oordeelde de rechtbank dat eiser geen gevolgen van enige betekenis ondervindt.
Ook de vrees van eiser voor precedentwerking werd niet als actueel en reëel belang gezien. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om griffierechtteruggave en proceskostenvergoeding af.