Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding met producties 1 t/m 3,
- de door [gedaagde] overgelegde producties 1 t/m 7,
- de mondelinge behandeling,
- de pleitnota van [eiser] ,
- de pleitnota van [gedaagde] .
Rechtbank Midden-Nederland
Partijen hadden een relatie en kochten samen in 2016 een herdershond. Na beëindiging van hun relatie in 2022 verbleef de hond afwisselend bij beiden. Gedaagde nam de hond zonder toestemming van eiser mee, waarna eiser een kort geding startte om de hond terug te krijgen.
Eiser stelde dat hij de enige eigenaar was en dat gedaagde onrechtmatig handelde door de hond mee te nemen. Gedaagde betwistte dit en stelde dat zij de hond gezamenlijk hadden aangeschaft en verzorgd. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde dat hij alleen eigenaar was, mede omdat gedaagde aannemelijk maakte dat zij ook kosten droeg en zorgde voor de hond.
De rechtbank nam mee dat de NDG-penning op naam van beiden stond, dat de hond afwisselend bij beiden verbleef en dat het paspoort en de chipregistratie bij eiser waren, maar dat dit niet doorslaggevend was. Ook het feit dat de hond minder geschikt leek als bedrijfshond maakte de stelling van eiser minder aannemelijk.
De vordering werd daarom afgewezen. Wel oordeelde de rechtbank dat gedaagde onjuist handelde door de hond eigenmachtig weg te halen, maar dat partijen dit onderling moeten oplossen of een andere procedure kunnen starten. De proceskosten werden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vordering tot afgifte van de hond wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van uitsluitend eigendom door eiser.