Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
Procesverloop
30 december 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning verlaagd naar € 1.035.000,-.
Overwegingen
1 januari 2020. Eiser bepleit een lagere waarde, namelijk maximaal € 992.000,-. Verweerder handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 1.035.000,-.
€ 549.642,- hanteert. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in voldoende mate rekening heeft gehouden met het afnemend grensnut. De beroepsgrond slaagt niet.
4 september 2023 [5] hanteert de rechtbank een tarief van € 50,- per half jaar.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 57,-.
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming) tot vergoeding aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 43,-.
mr.D. Burggraaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2023.