AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot adoptie meerderjarige wegens niet voldoen minderjarigheidsvereiste
De heer verzoeker verzocht om adoptie van de heer belanghebbende 1, die 61 jaar oud is, door hem en zijn echtgenote. De verzoeker stelde dat de adoptie noodzakelijk was vanwege het ontbreken van contact met de biologische ouders van belanghebbende 1, die op jonge leeftijd uit huis werd geplaatst. De rechtbank oordeelde dat adoptie een kinderbeschermingsmaatregel is en dat volgens artikel 1:228 lid 1 onderPro a BW het kind minderjarig moet zijn op het moment van het verzoek. Dit was niet het geval.
De rechtbank verwees naar vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Hoge Raad, die bevestigen dat het recht op adoptie niet onder artikel 8 EVRMPro valt en dat het minderjarigheidsvereiste niet zonder meer kan worden genegeerd. Hoewel de heer belanghebbende 1 een goede sociale band heeft met verzoeker en diens partner, oordeelde de rechtbank dat dit geen uitzonderlijke omstandigheden zijn die een uitzondering rechtvaardigen.
De rechtbank erkende het emotionele belang van de betrokkenen, maar wees erop dat andere juridische middelen, zoals testamentaire regelingen, kunnen worden gebruikt om het gezinsgevoel te formaliseren. De rechtbank concludeerde dat het spanningsveld tussen juridisch en sociaal ouderschap een taak voor de wetgever is en wees het verzoek tot adoptie af.
Uitkomst: Het verzoek tot adoptie van een meerderjarige is afgewezen wegens niet voldoen aan het wettelijke minderjarigheidsvereiste.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/556056 / FO RK 23-520
Adoptie
Beschikking van 26 juli 2023
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de heer [verzoeker] ,
advocaat mr. E.P.J. Appelman,
met als belanghebbenden:
[belanghebbende 1],
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de heer [belanghebbende 1] ,
[belanghebbende 2] ,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: mevrouw [belanghebbende 2] ,
[belanghebbende 3] ,
wonende in [gemeente] , [woonplaats 3] ,
hierna te noemen: [belanghebbende 3] ,
[belanghebbende 4] ,
wonende in [woonplaats 4] ,
hierna te noemen: [belanghebbende 4] ,
[belanghebbende 5] ,
met een voor de rechtbank onbekende woon- of verblijfplaats,
hierna te noemen: [belanghebbende 5] .
1.De procedure
1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de heer [verzoeker] , met bijlagen 1 tot en met 10, ingediend op 19 april 2023;
het F-formulier van de heer [verzoeker] van 25 mei 2023.
1.2.
Het verzoek is behandeld tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 14 juni 2023. Daarbij waren aanwezig:
de heer [verzoeker] met zijn advocaat;
de heer [belanghebbende 1] ;
mevrouw [belanghebbende 2] ;
[belanghebbende 3] .
1.3.
Gebleken is dat de heer [verzoeker] naast [belanghebbende 3] nog twee andere kinderen heeft: [belanghebbende 4] en [belanghebbende 5] . [belanghebbende 4] is door de rechtbank abusievelijk niet uitgenodigd voor de zitting. [belanghebbende 5] staat niet als zoon van de heer [verzoeker] vermeld op zijn GBA uittreksel. Hij is door de rechtbank dan ook niet uitgenodigd voor de zitting. De heer [verzoeker] heeft tijdens de zitting verklaard dat zowel [belanghebbende 4] als [belanghebbende 5] op de hoogte zijn van het verzoek en dat zij hierachter staan.
2.Waar de procedure over gaat
2.1.
De heer [belanghebbende 1] is op [geboortedatum] 1961 in [geboorteplaats] geboren.
2.2.
De ouders van de heer [belanghebbende 1] zijn mevrouw [de moeder] (hierna te noemen: de moeder) en de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader).
2.3.
De heer [belanghebbende 1] is op jonge leeftijd uit huis geplaatst. Hij heeft in een kindertehuis en een pleeggezin gewoond.
2.4.
De moeder van de heer [belanghebbende 1] is vervolgens overleden op [overlijdensdatum 1] 2001 en de vader op [overlijdensdatum 2] 1995.
2.5.
De heer [verzoeker] verzoekt de adoptie van de meerderjarige heer [belanghebbende 1] , samen met zijn huidige echtgenote, mevrouw [belanghebbende 2] .
3.De beoordeling
3.1.
De rechtbank zal het verzoek van de verzoeker afwijzen. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
3.2.
De rechtbank stelt voorop dat adoptie een kinderbeschermingsmaatregel is.
Het verzoek tot adoptie moet worden getoetst aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de artikelen 1:227 en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De heer [belanghebbende 1] was op de dag van de indiening van het verzoekschrift 61 jaar oud. Dit betekent dat niet is voldaan aan de in artikel 1:228 lid 1 onderPro a BW gestelde voorwaarde dat het kind op de dag van de indiening van het verzoekschrift minderjarig is. Adoptie van de heer [belanghebbende 1] door de heer [verzoeker] en mevrouw [belanghebbende 2] is daarom op grond van de nationale wetgeving niet mogelijk.
3.3.
Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is het recht op adoptie niet één van de door het EVRM beschermde rechten. Dat een feitelijk gezinsverband niet wordt omgezet in een juridisch gezinsverband is op zichzelf niet in strijd met artikel 8 EVRMPro. Het enkele feit dat adoptie niet mogelijk is wanneer niet wordt voldaan aan de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden, kan daarom in beginsel niet worden aangemerkt als een ongeoorloofde inbreuk op het recht op family life.
Ook de Hoge Raad heeft beslist dat aan artikel 8 EVRMPro weliswaar het recht op bescherming van family life tussen de ouders en een door hen geadopteerd kind kan worden ontleend, maar niet het recht om een kind te adopteren zonder dat wordt voldaan aan de eisen voor adoptie volgens de nationale wet. [1]
3.4.
Het weigeren van een adoptie kan onder zeer bijzondere omstandigheden zo’n inbreuk maken op het bestaande gezinsleven dat toch voorbij kan worden gegaan aan het minderjarigheidsvereiste van artikel 1:228 lid 1 onderPro a BW. Het gaat dan om uitzonderlijke gevallen, waarin de weigering van de adoptie vanwege enkel de meerderjarigheid bij de indiening van het verzoek een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRMPro beschermde gezins- en familieleven met zich mee zou brengen.
3.5.
De rechtbank vindt dat er in dit geval geen sprake is van zo’n uitzonderlijke situatie. Zij zal dit hierna toelichten.
3.6.
Toen de heer [belanghebbende 1] 17 jaar oud was, kreeg hij een relatie met mevrouw [belanghebbende 3] . Vanaf dat moment is er een band ontstaan tussen de heer [belanghebbende 1] en de heer [verzoeker] . De heer [belanghebbende 1] heeft een lastige jeugd gehad, waarbij hij op jonge leeftijd uit huis is geplaatst en daarna in verschillende kindertehuizen en pleeggezinnen heeft gewoond. Toen de heer [belanghebbende 1] een relatie kreeg met mevrouw [belanghebbende 3] heeft de heer [verzoeker] de ouderrol op zich genomen. Ook na het eindigen van de relatie tussen de heer [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] is de band tussen de heer [belanghebbende 1] en de heer [verzoeker] blijven bestaan. Daarnaast heeft de heer [belanghebbende 1] een goede band gekregen met de partner van de heer [verzoeker] , mevrouw [belanghebbende 2] .
3.7.
De heer [verzoeker] stelt dat de heer [belanghebbende 1] een zwaarwegend belang heeft bij de adoptie omdat hij feitelijk niemand heeft. De heer [belanghebbende 1] heeft namelijk geen contact meer met zijn biologische familie. Het is echter in deze tijd – waarin stiefouders en samengestelde gezinnen steeds vaker voorkomen – niet uitzonderlijk dat iemand een betere band heeft met zijn of haar ‘sociale’ ouder dan met zijn of haar juridische (en biologische) ouder. Volgens de rechtbank is er daarom geen sprake van zeer bijzondere omstandigheden die kunnen leiden tot een uitzondering op het minderjarigheidsvereiste bij adoptie. De rechtbank zal daarom het verzoek tot adoptie van de heer [belanghebbende 1] door de heer [verzoeker] en mevrouw [belanghebbende 2] afwijzen.
3.8.
De rechtbank begrijpt dat de adoptie uit emotioneel oogpunt belangrijk is voor de heer [belanghebbende 1] , de heer [verzoeker] en mevrouw [belanghebbende 2] (en de overige betrokkenen) en dat de afwijzing van het verzoek een teleurstelling zal zijn. De rechtbank merkt op dat er andere manieren zijn om het gevoel dat de heer [belanghebbende 1] deel uitmaakt van het gezin te formaliseren, bijvoorbeeld in een testament, hetgeen de heer [verzoeker] blijkens zijn mededeling tijdens de mondelinge behandeling al heeft geregeld.
3.9.
De rechtbank ziet het spanningsveld tussen juridisch ouderschap en sociaal ouderschap en de maatschappelijke ontwikkelingen op dit gebied. De wet biedt op dit moment geen mogelijkheden voor een meerderjarige om zijn of haar juridische ouders te laten wijzigen. Het is aan de wetgever om dit spanningsveld te beoordelen en de noodzaak voor een wetswijziging te onderzoeken.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.
4.De beslissing
De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.G. van Doorn, rechter, in samenwerking met mr. M.N. Cheuk A Lam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2023.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.