Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 september 2023;
- de aangifte door [A] namens [onderneming 1] B.V. (
feit 2). [4]
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
strafblad) betreffende verdachte van 8 augustus 2023. Hieruit volgt dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
9.BENADEELDE PARTIJ
€ 25.614,07. Dit bedrag bestaat uit € 25.114,07 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit. [slachtoffer] heeft de materiële schade uitgesplitst in de volgende kostenposten:
€ 810,00
(€ 13.750,00), de stallings- (€ 405,35) en taxatiekosten (€ 302,25) en de gederfde huurinkomsten voor één jaar (€ 3.282,16) voor vergoeding in aanmerking komen zoals gevorderd, met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
Benadeelde partij
- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 11.957,60;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2020 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij of zijn mededaders op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.