Eiser betwist de WOZ-waarde van zijn drive-in-woning, vastgesteld op €380.000 voor het belastingjaar 2021, en vordert een lagere waarde van €372.000. De heffingsambtenaar onderbouwt de waarde met een taxatiematrix gebaseerd op verkoopcijfers van vergelijkbare woningen. De rechtbank oordeelt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is, mede omdat de gebruikte referentiewoningen qua ligging, oppervlakte en staat vergelijkbaar zijn en de gehanteerde prijs per m2 in lijn is met de markt.
Eiser stelt dat de gebruiksoppervlakten van referentiewoningen te laag zijn berekend, omdat onderdelen zoals terrassen en garages niet zijn meegerekend. De rechtbank volgt dit niet, aangezien deze onderdelen apart zijn gewaardeerd en de gebruikte meetinstructies juist zijn toegepast. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Daarnaast vordert eiser een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de totale procedure bijna acht maanden langer duurde dan de redelijke termijn van twee jaar, zonder bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen. De schadevergoeding van €100 wordt gelijkelijk verdeeld tussen de heffingsambtenaar en de Staat. Een proceskostenvergoeding wordt afgewezen, omdat de gemachtigde van eiser geen extra werkzaamheden verrichtte voor het schadeverzoek.