Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2023 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van een horecagelegenheid met woning, gelegen aan een adres in Utrecht, voor het belastingjaar 2021. Verweerder heeft de waarde vastgesteld op €509.000,-, waarvan €327.000,- wordt toegerekend aan de horecagelegenheid en €182.000,- aan de woning. Eiser ging tegen deze beschikking in bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna beroep werd ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat de waarde van de horecagelegenheid aannemelijk is onderbouwd met een taxatierapport op basis van de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij vergelijkbare objecten met parkeerterreinen en zalen als referentie zijn gebruikt. De waarde van de woning is niet betwist. De rechtbank concludeert dat de totale WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.
Daarnaast heeft eiser een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van bezwaar en beroep. De rechtbank stelt vast dat de totale procedure twee jaar en acht maanden duurde, wat acht maanden langer is dan redelijk wordt geacht. Daarom kent de rechtbank een forfaitaire schadevergoeding van €100,- toe.
Het verzoek tot vergoeding van proceskosten voor rechtsbijstand wordt afgewezen, omdat de kosten voor het verzoek om immateriële schadevergoeding minimaal waren. Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.