Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
[vergunninghouder]uit [plaats] (vergunninghouder) en
[derde partij]uit [plaats] .
Rechtbank Midden-Nederland
Op het perceel staat een monumentale dwarshuisboerderij met een achtererf waar vergunninghouder een overkapping wil plaatsen voor zonnecollectoren. Het college verleende hiervoor een omgevingsvergunning met toepassing van de kruimelgevallenregeling, ondanks strijd met het bestemmingsplan. Eiser en een derde partij maakten bezwaar tegen de vergunning en de hoogte van de haag achter de overkapping.
Het college herroept de vergunning voor een fietsenberging maar handhaaft de vergunning voor de overkapping met een maximale hoogte van 2,17 tot 3 meter en een haaghoogte van 2 meter. Eiser stelt dat het advies van de Erfgoedcommissie onzorgvuldig tot stand kwam en dat een alternatief overdwars plaatsen van de overkapping beter is. De rechtbank oordeelt dat het college het advies van de Erfgoedcommissie terecht heeft gevolgd en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het alternatief minder bezwaren oplevert.
De rechtbank stelt dat het college de belangen zorgvuldig heeft afgewogen en dat de overkapping geen onaanvaardbare inperking vormt van de gebruiksmogelijkheden van naburige percelen. Ook is de haaghoogte van 2 meter voldoende gemotiveerd en niet in strijd met anterieure overeenkomsten. Privaatrechtelijke bezwaren zijn niet evident en behoren niet tot de taak van de bestuursrechter.
De overige door eiser en derde partij aangevoerde punten, zoals over het sedumdak en correspondentie van ambtenaren, leiden niet tot vernietiging van het besluit. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om griffierecht en proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de overkapping wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand met de vastgestelde voorwaarden.